
Jasper vroeg aan mij of ik een kort stukje wilde schrijven over waarom ik representatie zo belangrijk vind – en dat is een onderwerp waar ik waarschijnlijk hele boeken over zou kunnen schrijven omdat de vraag ‘Is representatie belangrijk?’ met ‘ja, want …’ kan worden beantwoord, maar wat er achter die ‘want’ staat is op heel veel verschillende manieren aan te vullen.
Maar laat ik me beperken tot één antwoord en dat is het antwoord dat mij het dichtst aan het hart gaat.
In januari 2022 las ik een boek. Dat is op zich niet heel uitzonderlijk; ik ben altijd fanatiek lezer geweest, mijn TBR is gigantisch maar dat ligt niet aan mijn lage leestempo en eerder aan mijn hoge inkoopgraad. Ik werk tegenwoordig 70 boeken per jaar weg. Ik lees vlot en met heel veel plezier en waarschijnlijk lag het aantal boeken dat ik had gelezen tot dat moment in januari 2022 al ruim in de honderden.
Maar dit boek was anders. Dit boek was namelijk ‘Red, White & Royal Blue’ van Casey McQuiston, in het Nederlands vertaald naar ‘Rood, Wit en Koningsblauw’. Het is nog steeds één van mijn favoriete LHBTI+-boeken aller tijden. Het is geen sciencefiction of fantasy, maar eigenlijk een pure romance. De zoon van de Amerikaanse president, die toevallig Alex heet, wordt verliefd op één van de prinsen uit het Britse koningshuis genaamd Henry.
Waarom was dit boek zo uniek en zo anders dan die honderden andere boeken die ik daarvoor had gelezen? Vanwege een aantal zinnen rond de eerste derde van het boek. Aan het begin van het boek weet Alex nog niet dat hij verliefd is op Henry, maar dat verandert als Henry hem ineens zoent op een feestje. Op dat moment denkt hij eerst, dat slaat nergens op, ik val gewoon op vrouwen, ik ben hetero, voordat hij zichzelf op die gedachte betrapt en denkt, wacht even, hetero mensen zijn toch ook niet constant bezig met zichzelf ervan overtuigen dat ze hetero zijn? In verrassend korte tijd trekt Alex bij zichzelf de conclusie dat hij biseksueel is. En daarna gebeuren er nog een heleboel dingen die voor deze blog niet relevant zijn, maar ik wil me op dat moment focussen.
Exact die redenering heeft deze Alexander namelijk ook gehad op het moment dat hij 25 was, zij het met wat meer vertraging: oh wacht, ik heb op de middelbare school een jongen leuk gevonden en ik heb nu eindelijk door dat dat een volledige verliefdheid was. Ben ik homo? Nee, dat kan niet, ik vind vrouwen ook aantrekkelijk. Oh wacht, ik ben biseksueel. Bijna vijf jaar later (ik was op het moment van het lezen van dit boek twee maanden weg van de vreselijke 30) kwam ik exact diezelfde redenering tegen in dit boek.
Wat het met mij deed was. ik ben niet de enige die dit doormaakt. Voor het eerst kwam ik een boek tegen dat tegen mij zei: je bent niet de enige. Het feit dat je biseksueel bent mag, anderen zijn dat ook. En als ik eerder dat besef had gehad, bijvoorbeeld op de middelbare school, dan was ik een hoop pijn bespaard gebleven. Want op de middelbare school had ik echt wel van het woord ‘biseksueel’ gehoord, maar dit was de eerste keer dat ik het in een boek had gevoeld.
Ik heb niks te klagen, ik ben inmiddels hartstikke gelukkig getrouwd met een fantastische man. Maar als je momenten zoals het besef dat je biseksueel bent verwerkt in een boek, wordt het normaler. Dan kan erover gesproken worden en worden mensen die biseksueel zijn niet meer zo vreemd of moeilijk grijpbaar. Én dan worden mensen die zelf biseksueel zijn een stuk pijn bespaard, want zij beseffen dan ook: wij zijn gewoon normaal, er is niets mis met ons. ‘Biseksueel’ is mijn ervaring, maar je kan dat woord in de voorgaande zin vervangen door welke ‘afwijkende’ identiteit dan ook – dan schrijf je inclusief. Dat kan je op twee manieren doen: je kan een verhaal te schrijven waar zo’n ‘afwijkende’ identiteit centraal staat, zoals in ‘Red, White & Royal Blue’ – of, iets dichter bij huis, in de ‘Onzichtbare Maalstroom’-reeks van Jasper Polane, of in ‘Corruption’, van mijn eigen hand. Maar het kan ook subtieler, door bijkarakters soms zo’n afwijkende identiteit te laten hebben, zoals Roxanne Borgman doet in ‘Levenslang in de Toren’, of Pam Hage in ‘Sterrenduister’.

Als ik zelf over andere identiteiten schrijf en ze staan centraal ben ik altijd voorzichtig om óf over mijn eigen identiteit te schrijven óf, als dat niet het geval is, mensen te raadplegen die die identiteit wel hebben. Er heeft best wat research gezeten in het schrijven van ‘Corruption’. En ook in ‘Corruption’ zal je vinden dat er een hoop bijkarakters queer zijn zonder dat het echt het plot beïnvloedt, want mensen die in het echt queer zijn, doen dat ook niet ter functie van het plot.
Zo kan je een hoop mensen het gevoel geven van ‘ik hoor er ook bij’, ‘ik ben niet vreemd, ik mag zijn wie ik ben’, ‘ik ben niet normaal, ik ben niet de vijand’. En zo’n moment, dat gun je toch iedereen?

Alexander Verbeek - van den Toren
Schrijver
Deel dit artikel